DICK GILSING – THE DRAMATIC STRUCTURE OF THE SCENARIO: RESEARCHING SCREENWRITER’S GUIDES – BY: MRK [1995]

DICK GILSING – DE DRAMATISCHE STRUCTUUR VAN HET SCENARIO: ONDERZOEK NAAR HANDLEIDINGEN VOOR SCENARIOSCHRIJVERS

Dick Gilsing, docent drama bij de vakgroep Nederlands van de Hoge School InHolland, schr­eef zijn doctoraalscriptie theaterwetenschap in 1989. Het onder­zoek naar handleidingen voor scenarioschrijvers ontstond naar aanleiding van cursussen scenarioschrijven die hij zelf ooit volgde aan de Haagse school voor taal en letter­kunde en het opleidingsinstituut Santbergen van de NOB. “In beide cursussen werd ‘de Amerikaanse methode’ gevolgd (..), het werd mij duide­lijk dat schrijven van een scenario een kwestie is van constructie en structurering. Welke structuur er in de Ameri­kaanse handboeken be- en voorge­schreven wordt, is het uitgangs­punt van zijn scriptie gewor­den. De harde kern van zijn stu­diemateriaal, de drie Ameri­kaanse film poëtica’s: ‘The art of dramatic wri­ting’ van L. Egri, ‘Hand­leiding voor scenaris­ten’ van J. W. Bloch, W. Fadiman en L. Peyser en ‘Hoe schrijf ik een scenario van S. Field, staan daarbij centraal. Deze vergelijkt hij met de poëtica van Aristoteles (“in feite het eerste (norma­tieve) handboek voor schrij­vers van (dramati­sche) teksten”), om uit te vinden welke dramati­sche structuur de poëtica’s eigen­lijk te bieden hebben. Vervolgens weet hij ze aan elkaar te spiege­len, maar ook tegen elkaar uit te spelen. Als praktisch voor­beeld van zijn bedoe­lin­gen, legt hij het nog eens uit a.d.h.v. de drama­tische struc­tuur van de film Chinatown.

StudieboekenStudieboeken

Deel 1 – De pre-filmische dramatische structuur, begint met een uitleg van Aristoteles’ poëtica. Voor wie zijn klassieken niet kent is dit opletten geblazen, maar Gilsing neemt er de tijd voor en legt helder uit. In hoofdstuk twee van dit eerste deel, probeert hij verder door te dringen in het ‘pre-filmi­sche’ door het boek ‘dramaturgie’ van Verhagen erbij te halen. Dit werd geschreven in 1923 en gaat uit van het vooroorlogse theater spel. Met deze parafrase wordt een verfijning/aanvul­ling van Aristoteles’ model bewerkstelligt, waardoor de lezer meer inzicht krijgt, maar bovenal geboeid raakt.

In deel 2 – De filmische dramatische structuur, buigt Gilsing zich over de drie Amerikaanse modellen. Na een uitvoerige beschrijving van elk boek afzonderlijk -er wordt veel her­haald, maar de moeilijkheid van de stof verantwoord dit- besluit hij ook hier met de integratie van de modellen. De vergelijkingen tussen de pre-filmische- en filmische model­len, lijken tot op dit punt eerder overeenkomsten te bieden dan verschillen. Beide theorieën kenmerken zich door de be­schrijvende- en voorschrijvende toon, wat zoveel wil zeggen als: het model is in staat het drama te vertellen, maar het drama kan niet zonder het model verteld worden (volgens de bedenkers ervan).

Verder onderzoek is geboden en zo komen we tot de diepere vergelij­king in Deel 3 – Pre-filmische versus filmische drama­tische structuur – tragedie versus Hollywoodfilm. Er wordt diepgravend uitgezocht hoe beiderlei geschiedenissen gepresen­teerd worden, maar ook welk verhaal ze vertellen. Het is op dit punt dat veel duidelijk wordt, want de Hollywoodfilm lijkt welhaast een vervolg of uitvloeisel van de Griekse tragedie. Beide zijn als actualisering van de mythologie, danwel de Bijbelverhalen te beschouwen. De American dream vertoont daarnaast een aantal elementen uit de Oedipus problematiek en velerlei andere heden­daagse Holly­wood thema’s tonen directe verbinding met de algehele mytholo­gie van de oude Grieken. Met deze wetenschap van de mythologie kunnen beide modellen geï­nterpreteerd wor­den, het verschil zit ‘m in het technische- de opbouw van de modellen. Gilsing maakt vervolgens een en ander beel­dend aannemelijk door middel van de beschrijving van de film ‘Chi­na­town’ die op veel bestaande traditionele drama­ti­sche structu­ren blijkt te be­rusten. In de daaraan gekoppelde slotconclusie rijst tenslotte de vraag of er ook afwijkende modellen bestaan. In de appendix verteld hij dat het ook in zijn bedoeling lag om alternatieven te vinden voor de Amerikaanse modellen, maar dat dit niet binnen het kader van de scriptie paste. Toch noemt hij er enkele -uit het ‘alternatievere’ circuit en besluit met te zeggen dat een dergelijk onderzoek misschien een ander bouwplan op zou kunnen leveren.

Bij ondergetekende reist de vraag ten slotte of het antwoord misschien niet te vinden is in de geschiedenis van de mensen i.p.v. de geschie­denis van het verhaal. Cultuurkritiek versus scenariokritiek. Immers, het onderzoek ontstijgt de ‘Joods-Christelijke-Griekse-Eurocentrische-‘ of kortweg ‘Wes­ter­se beschaving’ niet. Misschien dat er volgens een ‘Egypti­sche-Afrocentrische-Afrikaans-Amerikaanse’ weg nog veel meer te ontdekken valt. Misschien gaat de waarom-vraag uiteindelijk over wie er de scep­ter zwaait over de cultuur/poli­tieke/econo­mi­sche/filosofische macht en het daardoor beïnvloedde denken van de wereld in zijn totaliteit.

Het boek van Gilsing doet stof opwaaien, inspireert een ieder die in schrijven en cultuur geïnteresseerd is, maar is ook voor de wat minder geëngageerde bioscoop­bezoeker een pret­tige, maar bovenal interessante verdieping. Het is jammer dat een derge­lijk hoogstandje in een schoolkrant-achti­ge/ge­sten­cild ogende uitvoering te koop wordt aangeboden.

Films en seriesFilms en series

Geef een reactie